Socrates, Menon en een robot

In het tijdperk van generatieve AI komt een fundamentele vraag naar boven: als kennis overvloedig wordt, wat betekent het dan om waardevol werk te verrichten?

De opkomst van generatieve AI: een zegen of een bedreiging?

De razendsnelle ontwikkeling van generatieve AI – systemen die niet alleen informatie verwerken maar ook creëren – verandert ons idee van werk. Taken die ooit exclusief waren voor hoogopgeleide kenniswerkers worden nu binnen enkele seconden uitgevoerd door algoritmes. De waarde die we jarenlang hechtten aan “weten” en “analyseren” lijkt plotseling te vervagen. Deze ontwikkeling roept bij velen existentiële vragen op: Wat blijft er over van mijn beroep als kenniswerker? Ben ik nog nodig? Of word ik slechts een toeschouwer in mijn eigen vakgebied?

Socrates en Menon: een tijdloos gesprek

Stel je voor dat Socrates vandaag nog zou leven en in gesprek ging met een jonge professional – laten we hem Menon noemen. Menon voelt zich onzeker in een wereld waarin zijn kennis gemakkelijk wordt vervangen. In dit denkbeeldige gesprek stelt Socrates geen oplossingen voor, maar stelt hij de juiste vragen. Hij vraagt Menon of kennis hetzelfde is als begrip. En of het hebben van toegang tot informatie ook betekent dat je weet wat je ermee moet doen. Menon erkent dat begrijpen méér is dan weten: het vraagt context, gevoel en oordeel.

Socrates leidt Menon naar een verrassend inzicht: in een wereld waarin kennis op elke straathoek – of in elke prompt – te vinden is, verschuift waarde naar iets anders. Naar wijsheid: wijsheid is het vermogen om te kiezen welke kennis relevant is. Het vraagt moreel besef, empathie en richting. Juist die menselijke eigenschappen – niet het technische kunnen – bepalen de waarde van werk in het AI-tijdperk. Generatieve AI kan duizenden oplossingen aandragen, maar het is aan ons om te bepalen welke vraag er eigenlijk gesteld moet worden.

Het paradoxale is: naarmate machines meer doen, krijgt de menselijke kant van werk juist meer ruimte. Denk aan oordeelsvermogen, verbeeldingskracht, ethisch besef, het voeren van betekenisvolle gesprekken, het maken van keuzes met impact. Dat zijn geen vaardigheden die je downloadt – dat zijn ervaringen die je leeft. Deze heroriëntatie biedt ook hoop. Misschien maakt AI werk juist menselijker. Minder gericht op herhaling, meer op richting. Minder op “hoe doe ik dit”, en meer op “waarom doen we dit eigenlijk?”.

En nu?

Als je je als professional afvraagt wat je plek nog is in deze nieuwe wereld, stel jezelf dan niet de vraag wat je weet, maar waarom je dat wilt weten. Laat AI het gereedschap zijn – en jij de ontwerper. Net als Menon in het gesprek met Socrates zul je ontdekken dat jouw waarde niet ligt in het vasthouden van kennis, maar in het vormgeven van betekenis. Niet in het hoeveel je weet, maar in wat je kiest te doen met wat je weet. De fundamentele vraag blijft bestaan, ongeacht de technologie: wat betekent het om mens te zijn, en hoe geven we daar uitdrukking aan in ons werk?

AI zal steeds meer antwoorden geven. Maar misschien is het juist nu tijd om weer te leren vragen stellen – zoals Socrates dat ooit deed.